woensdag 13 augustus 2008

Amersfoort

48 dagen fietsen tot Madrid. Na 16 uur bus, metro, bar, metro, wachten, slapen op grond, vliegtuig, bus, trein en bus terug in Amersfoort. Maandag La Venencia. Vandaag Lobbes. Waar is thuis?

dinsdag 12 augustus 2008

Foto's

Beetje bij beetje druppelen de komende dagen de foto's binnen op:

Waarheen?

(klik op foto)

Veel kijk en leesplezier!

Bruce

Etappes

Hier het overzicht van alle etappes inclusief rondetijden, hoogteprofielen, minima en maxima, zadeltijden, fietstijden, klimmeters en gemiddelden. Op onregelmatige basis zullen de gegevens aangevuld worden.


l’Isle de Noé

Zaterdag 19 juli 2008
080719-l’Isle de Noé

Dag 25  |  Etappe 22  |  l’Isle de Noé  |  10:00-20:30
              |  113,3 km  |  7:17:58  |  909 m^  |  15,5 km/h
               |  1.696,6 km  |  114:13:49  |  11.030 m^  |  14,9 km/h

St. Jean Pied de Port

Zondag 27 juli 2008
080727-St-Jean

Dag 33  |  Etappe 29  |  St. Jean Pied de Port  |  11:30-18:15
              |  72,3 km  |  4:42:45  |  722 m^  |  15,3 km/h
               |  2089,9 km  |  141:00:31  |  16.123 m^  |  14,8 km/h

Igeldo

Woensdag 30 juli 2008
080730-Igeldo

Dag 36  |  Etappe 31  |  Igeldo  |  11:30:18:45
              |  84,1 km  |  5:30:43  |  1259 m^  |  16,2 km/h
               |  2219,9 km  |  160:14:57  |  17.778 m^  |  14,9 km/h

Burgos

Donderdag 7 augustus 2008
080807-Burgos

Dag 44  |  Etappe 37  |  Burgos  |  12:15-15:30
              |  34,9 km  |  2:20:33  |  279 m^  |  14,9 km/h
               |  2587,5 km  |  179:51:32  |  22.148 m^  |  14,4 km/h

Segovia

Zaterdag 9 autgustus 2008
080809-Segovia

Dag 46  |  Etappe 39  |  Segovia  |  11:00-20:30
              |  121,4 km  |  7:20:00  |  796 m^  |  16,5 km/h
               |  2833,7 km  |  194:06:51  |  24.182 m^  |  14,6 km/h

Majadahonda

Maandag 11 augustus 2008
080811-Majadahonda

Dag 48  |  Etappe 40  |  Majadahonda  |  08:30-16:45
              |  77,2 km  |  5:20:27  |  1079 m^  |  14,4 km/h
               |  2910,9 km  |  199:27:18  |  25.261 m^  |  14,6 km/h

maandag 11 augustus 2008

Madrid at last!

Wandel over plaza santa anna. Drink een palo cortado in la venencia. Missie volbracht. Ben weer thuis...

La Meta

Vanaf hier zijn het nog maar een paar kilometers tot mijn einddoel. Haast zonder accidentatie, zonder al teveel verzet. In gedachten is een het een traag naar beneden glooiend parcours, van het iets hoger gelegen Majadahonda tot het aan de voet van de Gran Vía gelegen Plaza de España, mijn eindstation. Want daar mijn fiets parkeren en een foto nemen is wat ik visualiseerde 7 weken geleden in Nederland. Dat beeld bleef mij motiveren. En met de realisatie van dat beeld is mijn tocht ten einde, en de missie volbracht. Zoals twee jaar geleden de foto van mijn fiets aan de Middellandse zeekust. Dat moment bracht ook dat gevoel in mij boven: ik heb het gehaald. Met daarna een paar dagen opperste gelukzaligheid, het loslaten van alle spanning tot dan toe. Volgend op het wekenlang onzeker blijven over de goede afloop. Het enige wat ik kon doen, en zo ook nu deed, is doorfietsen en onderweg alle weerstand op ruimen. Alle mentale barrières breken en fysieke barrières overwinnen.

Deze plek scheidt mij voor nog enkele kilometers van dat einddoel. Het is zo dichtbij dat ik het haast kan voelen. Een glimp daarvan verschijnt op mijn gezicht in een licht beginnende glimlach: ik ben er bijna! De uitstraling van de wielrenner die ver voor het peloton uit op een kilometer voor zich het finish doek ziet hangen. Wetende dat hij het zal gaan halen en vooruitlopend op zijn zege alvast een keer een vuist richting hemel heft. Zo voel ik mij ook, nog even en ik heb het gewonnen. Alles overwonnen wat mij had kunnen weerhouden om het doel te bereiken. En met dit gevoel smaken de laatste kilometers goed. En ik weet hoe daarmee om te gaan. Ik besef terdege dat ik er nog niet ben. Dat het in de laatste kilometers nog net zo fout kan gaan als in al die kilometers hiervoor. Maar bemoedigend op dat allerlaatste traject, wat me tot hier in het zadel hield, is dat ik al zover gekomen ben. Dat geeft het vertrouwen dat ik het kan bereiken.

Ze zijn niet gemakkelijk deze laatste kilometers. En relatief zullen ze lang duren. Zoals ook het laatste stuk tot Majadahonda zwaar was. Niet in hoogteverschil, stijgingspercentage, kwaliteit van wegdek of hitte. Nee niets van dat alles. Het was zwaar vanwege het haast kamikaze karakter van die eenzame fietser met zijn te zwaar beladen fiets naast het op hoge snelheid voorbijrazende verkeer. Het idee om op je fiets op de vluchtstrook van de snelweg te rijden alleen kan al voor een aanval van paniek zorgen. Het uitvoeren er van is daar voor een garantie. Slechts met uiterste onverstoorbaarheid voor de verkeersdrukte om mij heen, een diepste concentratie bij het fietsen en een absolute focus op het einddoel, zal ik arriveren daar waar ik nog naar toe wil. Dan zal ik triomferen op de door mij aangewezen plek. De 'marcador' van wat voor mij staat voor Spanje: Plaza de España. Met een brede glimlach stap ik op, schuif mijn voeten in de toeclips en zet aan voor een rustige cadans. Ik draai me om en zwaai de familie Crespo, op de stoep verzameld, gedag. Wanneer ze terugzwaaien en roepen, barst ik bijna in tranen uit, van geluk: ik ga het halen!

Majadahonda


080811-Majadahonda

Dag 48  |  Etappe 40  |  Majadahonda  |  08:30-16:45
              |  77,2 km  |  5:20:27  |  1079 m^  |  14,4 km/h
               |  2910,9 km  |  199:27:18  |  25.261 m^  |  14,6 km/h

Torbellino

Als het wachten aan de bar - ik ben de enige klant - me te lang duurt, schiet ik de toiletten in. De kou buiten zorgde voor een minimum aan zweet en zodoende een ophoping van blaasvocht. Dat wil er nu uit, haastig. Mijn handen zijn koud, en als ik mijn fietsbroek laat zakken voelen mijn benen nog kouder aan. Brrr, het beetje zweet op mijn rug doet mij hier op het tochtige toilet rillen. In alles herinnert deze omgeving aan de ski-vakanties in Frankrijk. En dan met name de plasmomenten. Met een bezweet lijf gestoken in verschillende lagen vochtige kleding, in een te krap toilethokje zodanig lang hannessen dat het binnen uiteindelijk voelbaar kouder is dan een paar minuten daarvoor op de piste in een behaaglijk zonnetje. Plassen en poepen, het zijn van die dingen die moeten, en waarover het leuk kletsen is, maar die onnodig tijd kosten en ergernis opwekken. Het komt nooit gelegen en je krijgt er vieze handen van. Het lijkt teveel op werken.

Rillend loop ik terug naar de bar. Ik overweeg om iets warms te bestellen, maar verwerp dat idee. Van koffie en thee moet je zo snel weer pissen. Een colaatje zonder ijs, het liefst een beetje lauw, dat gaat er wel in. Ik kom niet zozeer om van de dorst, de suikers zijn welkom. Aan kauwen heb ik even geen zin, moe als ik ben van de lange klim. Op het terras dat gelegen is aan de Madrileense zijde van deze berg neemt net een koppel stelletjes plaats. Ze zijn ver boven de middelbare leeftijd, te oordelen aan het grijs en wit van hun haarkleur. Ik staar wat van mij af en soes een beetje dromerig weg. Hier binnen is het stil, zeker voor spaanse begrippen. Er is zelfs geen geluid van een radio of televisie.

Ik schrik op uit mijn overpeinzingen als een van de vrouwen van het groepje opspringt van haar stoel. Wat ik waarneem, tart mijn bevattingsvermogen. Gebiologeerd volg ik het schouwspel op het terras. Een van de heren is ook opgestaan. Van het andere stel heeft de vrouw haar handen op de glazen gelegd en houdt de man stevig de rand van de tafel vast. Ze zitten aan de verste zijde van het terras, naast de balustrade waar uitzicht is op het dal beneden, dat zich pakweg een kilometer onder ons bevindt. De diepte schijnt onmetelijk. Even hoor ik nog het gegil van een van de dames voordat een toenemend windgeruis dit overstemt. Het geruis zwelt aan tot een gegier dat overgaat in een bulder. Als aan mijn kruk genageld blijf ik gefocussed op het tafereel buiten. Mijn colaflesje omklem ik, uit een instinctieve neiging naar het zoeken van steun. Ik weiger te geloven wat ik zie, en toch is het er. Mijn gedachten proberen de beelden van buiten te koppelen aan de scene van een film die zich ergens in mijn geheugen ophoudt. Dat proces hapert, ik hap naar adem terwijl ik op mijn kruk verschuif. Ik beweeg om te weten dat ik hier ben. Even bedenk ik dat ik hallucineer vanwege mijn inspanning van vanochtend.

Het gaat veel sneller dan het waarnemen toelaat, en toch lijkt de tijd zich tot een onmetelijk moment uit te strekken. Vanachter de balustrade heft een zuigende wervelvind een wolk grint en zand van het parkeerterrein op. Deze veegt over het terras, schampt de tafel waar zojuist de twee stelletjes nog zaten. De vortex buigt vervaarlijk in de richting van de man en vrouw die uit alle macht proberen het servies te redden. Even blijft de kolom van wind, zand, gruis, lucht en water staan aan de balustrade. Dan neemt deze zuil de hoek van het terras en neigt in de richting van het stel dat van de tafel wegliep. Ik zie de vrouw angstig verschrikt kijken, de man reikt zijn hand, zijn lippen gaan van elkaar. Wat hij roept gaat volledig verloren in het gebulder van de natuurlijke bladblazer die nog in overweging heeft langs welke kant hij zijn weg vervolgt. Wanneer mijn ogen openen na een keer knipperen zie ik nog net de minitornado de straat oversteken en aan de overkant oplossen in het al van de ijle lucht op deze berg.

Navacerrada

Op 1860m hoogte tussen Segovia en Madrid. Gisteren aquaduct kathedraal Alcazar en bezoek van ... :-)

Puerto

Ik heb mezelf gehaast vanochtend, in een rustig tempo. Dat klinkt als een contradictie: rustig haasten. Zenachtig - met volledige aandacht - werkte ik mijn ochtendprogramma af van toilet maken, eten - vaak niet meer dan wat fruit - tent afbreken en fiets opzadelen. De rustdag van gisteren, het diepe voelen en ervaren dat ik nu precies dat doe wat ik weken eerder besloot te gaan doen en de gematigde temperatuur hier op de hoogvlakte, stellen me in staat zen te blijven. Alles gaat zoals het gaat en het is goed zo. Behalve dan de lichte stress die ik voel. De druk die ik heb om voor twaalf uur over de pas te geraken. Omdat ik verwacht dat het erg warm gaat worden. Maite vertelde me gisteren dat het in Madrid broeierig heet is, tegen de veertig graden. En de fietsers uit Madrid die ik zaterdagavond in de bar sprak zijn ook blij om nu hier te zijn. "Het is heet, maar hier al veel beter uit te houden dan in de stad", reageerde Jon op mijn opmerking over het gematigde weer in Spanje. We spraken een tijdje over fietsen, ze trekken voor een week naar het noordwesten met mountainbikes over de ruigere paden. Ignacio stamt uit León en kan schitterend vertellen over die omgeving in de schaduw van de Picos de Europa. Ik ben van harte welkom bij zijn familie en moet zeker daar ook eens heen fietsen. Eerst Madrid! Ze helpen me nog met informatie over campings in de hoofdstad. Mijn kaart blijkt niet gedetailleerd genoeg en Jon krabbelt een sterk vereenvoudigd kaartje van Madrid in mijn opschrijfboekje. Een paar concentrische cirkels die het centrum en de stad aanduiden, daarin een cirkeltje dat een park voorstelt en een rechthoek ernaast waar Barajas ligt. Madrid op een bierviltje. Hij zet een puntje in het park: "Daar is de camping." "Ik denk dat ik die wel ga vinden", grap ik terug. Opgezadeld en wel komen ze me nu even gedag zeggen, het zijn echt leuke kerels. Ze vinden het jammer dat ik niet met hen mee naar het westen trek: "Madrid is gewoon een grote stad, het echte leven ligt buiten!" Ignacio bekende me eerder dat hij graag weer weg wil uit de drukte.

Mijn haast is merkbaar wanneer ik in Urbanización Prado Robledo over de parallelweg denk door te kunnen fietsen en daarbij stuit op een paar grote hekken die mij de doorgang volledig versperren. Via een diepe greppel en met de nodige irritatie kom ik weer op de hoofdweg. Hier niet vergezeld van een prachtig groen geverfd fietspad. Helaas liep dat slechts van Segovia tot aan deze bebouwing die noch dorp noch stad mag heten: Urbanisatie. Als je het zo uitspreekt doet het denken aan een bidonville: de krottenwijken van Segovia. Op weg naar San Idelfonso zie ik af en toe wat groepjes mensen achter de vangrail lopen. Er is hier helemaal niets anders dan een weg, wat bos en kale rotsen. Eerder zag ik dit ook al, groepen mensen die aan de kant van de grote weg lopen. Op het stoffige randje dat de weg scheidt van de aangrenzende 'natuur'. Waar gaan ze heen en wat drijft hen om hier langs de drukke weg met al het lawaai - ach het zijn natuurlijk Spanjaarden, die zijn gewend aan die drukte - voort te gaan? Ik stap niet af om het ze te vragen, mijn schema is krap. Tot de top telde ik 25 kilometer, San Idelfonso op 8 kilometer en dan nog 17 voor de beklimming. Daar reken ik 6 per uur voor. Het totaal gaat dan in 8 per uur, en dat is inclusief pauzes. Drie uur om de poort - El Puerto de Navacerrada - naar Madrid te bedwingen. Eerst nog provianderen. De camping ligt in Segovia aan de westkant op steenworpafstand van de snelweg en rondweg. Een prima uitvalsbasis helaas zonder mogelijkheden tot inkopen doen. Ik red het eerste uur op banaan en kiwi en het water dat ik gisteren nog kocht in de campingwinkel.

Met spijt over het tijdverlies ga ik in San Idelfonso van de route af om een bakker te zoeken. Eerst nog op mijn intuïtie, tot ik merk dat dit een stad is met een vreemde infrastructuur. Ik kom binnen via een soort van overwinningspoort. Het lijkt er niet op maar wanneer ik er langs fiets valt het op dat de grote allee erachter enigszins vreemd aandoet in dit kleine stadje. Interessant voor een historische quiz. Nu heb ik vooral behoefte aan fysiek voedsel. Wat vragen brengt me in het oude en een beetje armoedige centrum van de stad. De meeste bakkers zijn dicht op maandagochtend krijg ik te horen. Één barretje dat ook brood verkoopt - een soort theesalon - is open. Het duurt even voordat de eigenaresse begrijpt dat ik niet wil gaan zitten, en mijn waren wil meenemen om onderweg op te eten. Dan kost het nog wat tijd om duidelijk te maken dat ik niet het hele assortiment wil uitproberen. Ze blijft erop aandringen dat ik vooral ook de specialiteiten van het huis moet meenemen en wordt daarin luidkeels gesteund door de vaste clientèle. Ik kijk nog eens op mijn horloge: inmiddels half tien! Ik wil op weg, mijn routeschema brandt een gat in mijn maag van de onrust. Ik zeg ja tegen de citroencake en krijg een extra grote plak zo vertrouwt ze me met een glimlach toe. Dan gaat ze op zoek naar een plastic zakje om al het lekkers in te kunnen vervoeren. Die heeft ze niet op voorraad bij de toonbak, ze runt een salon en geen bakkerszaak. Terwijl ze naar achteren loopt gaat de telefoon.

Buiten eet ik eerst wat van de lekkernijen. De croissant valt erg tegen: te droog. De cake bewaar ik voor later, wanneer ik het echt nodig heb. Over de kasseien van wat steile straatjes vind ik mijn weg terug naar die overdadige entree van dit dorpje. Vanaf daar zit ik snel op de weg die in een haast rechte lijn naar de voet van de beklimming voert. Van bovenaf bezien dan, want het gaat glooiend omhoog. De omgeving is prachtig, ik fiets tussen twee bossen door, veel naaldbomen en het doet me denken aan de lagere hellingen van Franse skioorden als Morzine, La Plagne en Val Thorens. Ook is het heerlijk rustig hier, amper verkeer. Een beetje sneeuw erbij en ik waan me op de stillere en langere pistes van een uitgestrekt skigebied. Pradera de Navalhorno, een plaatsje. Huizen met de voorkanten op palen, tenminste aan de linkerkant van de weg: de helling. Wat een raar begrip eigenlijk 'helling'. Ik merkte dat voor het eerst op op skiles, tien jaar geleden in Frankrijk: "Leun niet met je lichaam naar de helling!" Instinctief doe je dat namelijk wel: minder rechtop gaan staan. Hangen dus, in de richting waar je naartoe gaat als je achterover valt. Wanneer je natuurlijk met je gezicht naar het dal staat. Op de fiets, dwars over de helling rijdend is dat begrip er minder. Links is hoger en dat is dan de helling, rechts is het lager: het dal. Helling is eigenlijk berg. Ik zit op de berg, ergens op de berg. Van voet tot top is het berg. En alles er tussen is helling. De weg is van links naar rechts vlak, dus hier heb ik de keus van leunen niet. Gelukkig maar! De zijdelingse helling wordt vertaald naar een voorwaartse, voor al het rollend verkeer. Voorwaarts is hoger. Skiën lijkt in niets op voortbewegen op wielen, of toch? Je gaat voort enigszins dwars op de richting waar je naar toe wilt, tenzij je een daredevil bent die met de punten naar het dal in duizelingwekkende vaart toe skiet op een zekere dwarslaesie. Oh ja, met skiën maak je je eigen dwarse weg, om de steilheid en daarmee snelheid in de hand te kunnen houden. Op de fiets ben ik een stuk minder vrij, ik pas me aan aan het stijgingspercentage dat voor mij bedacht is.

Twaalf kilometer gedaan, nog dertien tot de top. Van de duizend meter die ik vanaf Segovia tot aan de poort moet stijgen heb ik er nu 300 achter de rug. Blijven er 700 over, ruim vijf procent gemiddeld voor het traject dat nog voor me ligt. Het voelt niet alsof ik al veel geklommen heb, ik ben amper warmgereden. Het lijkt meer op een recreatief-zondagmiddag-terras-tochtje in het frisse voorjaar. Met toegenomen onrust verlaat ik dit skioord. Bij aanvang dacht ik nog dat het na Idelfonso snel serieus omhoog zou gaan. Er is niets van te merken. Nu nog 700 meter op dertien kilometer. Ik zet mijn hoofd in reken- en afleidingsstand, vergetend dat het energie kost die ik beter kan besparen voor mijn benen. Even vergelijken: Tourmalet was 1300 meter over 17 kilometer en Mt. Ventoux 1600 meter over 21 kilometer. 700 m op 13 kilometer is dan nog te overzien, ware het niet dat ik nu bagage bij me heb. Ik pep mezelf op met het idee dat dit een vergelijkbare klim is als die twee reuzen, omdat ik hier omhoog ga met al die bepakking. En de echte klim is nog niet eens begonnen. Onder de vijf procent is stijgen, klimmen begint vanaf daar en boven de zeven is met bagage zwaar afzien. Meer dan 10 procent met bagage is onmenselijk en slechts minuten vol te houden. Ik hoop dat de klim snel aanvangt, dan zie ik mezelf wel voor twaalven boven komen. Links van me prikt de zon af en toe over de bergkammen. Ik verwelkom die eerste directe stralen met genoegen, het is maar wat koud hier zo midden in de bergketen. De weg stijgt en daalt nu met onregelmatige afwisseling. Dan weer een paar honderd meter zwaar zwoegen op een steil stuk om daarna over een vlak of zelfs naar beneden lopend gedeelte te zoeven. Het gaat omhoog in een tempo van 2 vooruit en 1 terug. Dit kost allemaal extra tijd en energie.

Het is net na tienen, het verkeer neemt toe en vooral de grote vrachtwagens hoor ik achter mij van ver naderen. Een lage brom die op de vlakkere stukjes in een hoog gegier verandert, waarna bij het eerstvolgende opgaande stukje de chauffeur woest terugschakelt en het zware geluid weer tussen de bomen doorklinkt. De rust van de vroege ochtenduren is voorbij. Waar de weg naar rechts buigt om over een brug verder omhoog door het bos te kronkelen, is er links een grote parkeerplaats. Ik lees op het bordje dat het gebied dat mij omringt beschermd is, je hier kunt wandelen op de paden, je geen rotzooi mag achterlaten en het water uit de bron drinkbaar is. Er staan wat auto's en net na mij arriveert een stel waarvan de man omstandig op het waterreservoir klimt om zijn dorst te lessen aan het straaltje dat van de berg afstroomt en de bron vormt. Hij let daarbij goed op of ik hem wel bekijk. Daarna vult hij voor zichzelf en zijn vrouw een klein plastic flesje en gaan ze op pad. Ik eet wat van het brood en het beleg - kaas en worst - dat ik nog heb en vul het geheel af met een van de plakken cake. Die is erg vet, maar wel lekker. Ik spoel alles weg met water uit de flessen die ik bij me heb, ik ga echt niet uit die zogenaamd zuivere bron drinken. Net voor ik vertrek komt er een meisje van ongeveer 18 jaar aangefietst, zwaar bezweet en stevig hijgend gaat ze direct op de bron af om een flesje te vullen en dat leeg te drinken. Intussen is ze via haar mobiele telefoon in gesprek met zo te horen het thuisfront. Dat ze niet snel genoeg was en vandaag nog een keer omhoog wil fietsen. Ja, als ik haar lichaam had dan zou ik ook wel twee keer omhoog komen.

P1040177

De brug over, verder door het eindeloze bos dat hier de helling begroeit. Weer fietsend valt me op dat ik op een steil stuk ben gestopt. Onbewust heeft mijn lichaam voor de pauze gesignaleerd dat het zwaarder werd, dat wil zeggen 3,5 procent over 600 meter. Niet heel zwaar maar wel het langste aaneensluitende stuk klimmen tot nog toe. De nu volgende kilometer gaat opeens tegen 9 procent, terwijl ik net heb staan rusten en dus nog even wil opwarmen. Binnen twaalf minuten ben ik helemaal gesloopt, nog geen kilometer vanwaar ik net was en alweer toe aan een lange pauze. De klim lijkt begonnen. Ah, hier een bocht, een scherpe. Ik kom uit het zadel om de haarspeldbocht te kunnen overzien en iets over het midden van de weg de bocht naar rechts te nemen, daar aan de binnenkant is het me veel te steil. Ik sta zowat stil terwijl ik achter mij een vrachtwagen traag naderbij hoor komen. Ik stuur weer naar de kant van de weg dan. Een eerste bordje dat me opvalt: Puerto de Navacerrada, hoogte 1408 meter nog 6 kilometer tot de top. Zes? Wat nou zes! Ik heb er al twintig gedaan, het zouden er vijfentwintig zijn, nog vijf dus! Ik besluit dat de Spanjaarden net als de Fransen niet weten hoe lang een kilometer is en dat ik er nog vijf voor de boeg heb: een uur klimmen bij dit tempo. Klokje: tien over half elf. Ik ga het voor twaalf uur redden, als ik niet instort. Pfoehe wat is dit zwaar. Bij de volgende haarspeldbocht sta ik zelfs in de buitenbocht zowat stil, kan het steiler? Het vrachtverkeer gaat in een file naar boven, elke minuut passeert een van die reuzen me, of houdt in vlak voor een bocht om mij die eerst te laten ronden. Het snelverkeer raast er hoog in toeren voorbij. Het gebrom van de vrachtwagens en schrille gegil van benzine motoren klinkt hard en ver tussen de bomen. Van honderden meters onder mij kan ik de stoet vrachtwagens omhoog horen kruipen, in een net iets hoger tempo dan ik.

Mijn innerlijk gesprek gaat over het punt waarop ik een volgende pauze mag houden. Ergens halverwege de vorige plek en de top, in hoogtemeters omdat ik over de afstand geen zekerheid heb. Die bordjes zijn voor toeristen, commerciële troep die met weinig accuratesse in elkaar is geflanst. Mijn gevoel is dubbel. Ik maak me druk over het lawaai van het verkeer en de beperkte ruimte die er op de weg is, waardoor ik vaker minutenlang een vrachtwagen vlak achter me hoor rijden. Daarnaast geniet ik van de omgeving die verstild aandoet. Door het bosrijke karakter, de hoogte en daardoor de ijle lucht, de frisheid van deze ochtend en de weidse blik die ik af en toe heb wanneer de weg in een lange bocht haast richting noorden wijst. Daar waar ik vandaan kom. De natuur van deze berg is overweldigend mooi, heel anders dan de Tourmalet die al gauw een kale weidsheid heeft, of de Ventoux die onderaan lijkt op deze berg, en naar boven toe vreselijk woest en ruw is. Hier niet, alleen het uitzicht verandert lichtelijk door de glimp van het achterland tussen de bomen door. De begroeiing blijft tot aan de top even dik en groen en de weg slingert daar in een gestage cadans naar toe. Ik slinger mee, in iets hogere frequentie omdat mijn snelheid vaker onder de voor de balans zo nodige vijf kilometer per uur duikt. Pauze, wanneer en waar. De weg is niet breed genoeg om er op een prettige manier naast te staan terwijl de stoet reuzen daar voorbij naar boven dreunt. Rechts een bron, alweer één. Compleet met bordje waarop volledige beschrijving, uitleg en wetboekparagrafen. Met de rekensom wil het nog niet lukken, verder dan ongeveer 250 meter hoogteverschil met de laatste stopplaats kom ik niet. Dat is 1550 meter, of iets meer. Dat het niet helemaal halverwege daar en de top is maakt me nu niet zo uit, en het liefst zou ik meer dan de helft van het hoogteverschil willen overbruggen voordat ik stop. Dat verkleint het risico op een extra pauze daarna en verhoogt de kans op tijdig bovenkomen. Waarom wilde ik ook alweer voor twaalven boven zijn?

Vijftienhonderd meter, nah nog niet hoog genoeg voor een stop. Ik dwing mezelf door te fietsen, vol te houden. Mijn ritme is traag, ik heb geen lager verzet, mijn snelheid kan niet hoger dan deze belachelijke vijf per uur. Dan besluit ik dat het zo maar moet, ik verzet me niet meer tegen de berg en begin langzaam ook te genieten van het fietsen. Bij zestienhonderd meter stop ik, zo besluit ik nu. Nog honderd meter klimmen: twaalf minuten. Uiteindelijk stop ik 10 meter lager met een grote glimlach omdat ik mezelf niet de zweep opleg door te fietsen tot voorbij de zestienhonderd. Hier is een uitstekende stopplek, hogerop versmalt de weg. Wie weet dat ik dan pas op de top rustig stil kan staan. Een minuut rust, meer is het niet. Net genoeg om een stuk cake en wat slokken water te nemen. Dan weer op weg, verder hijgen tegen deze berg aan. Zwaar is het zeker, niet zo onmetelijk als de Ventoux of de Tourmalet. Niet dat het niet steil is. De gelijkmatigheid van het hellingspercentage maakt dat deze berg goed verteerbaar is. Er zitten geen al te veel steilere stukken bij. Ook geen vlakkere stukken. Wanneer de juiste cadans is gevonden rest er niets dan deze vast te houden. Tempo wisselingen, versnellingen, extra aanzetten, op- en/of terugschakelen: allemaal niet nodig. Voor mij heeft deze berg nog iets extra's te bieden boven die twee reuzen die ik eerder reed. De haarspeldbochten en de bebossing vormen mijn ideale klimterrein. Ik zie niet waar ik naartoe rijd en dat maakt het gemakkelijk om in het hier en nu te blijven.

Boven de 1650 meter zijn de haarspeldbochten eruit en kronkelt de weg naar boven in een iets meer rechte lijn. Dankzij de bossen links en rechts zie ik niet meer dan een paar honderd meter wegdek voor me. Nog ruim 200 hoogtemeters, de teller staat op 24 kilometer. Als de top over een kilometer is, dan gaat het tot daar in een onmogelijke 20%. Nu ik in een lekker ritme rijd, het meeste achter de rug heb en het grote genieten begint, wil ik ook wel de werkelijkheid onder ogen zien dat deze beklimming een kilometer langer is geworden. Eenmaal warm gereden vind ik het niet zo erg meer om tegen een berg op te fietsen, alleen duurt het zo verschrikkelijk lang - een week of zeven - voordat dat moment bereikt is. Om kwart voor twaalf parkeer ik mijn fiets tegen het bordje dat moet bewijzen dat deze poort op 1880 meter hoogte ligt. Het staat aan de kant van de weg, ongeveer 20 meter onder die top. In de tijd dat ik foto's maak stijgt mijn fiets zonder verplaatsing dertig meter. De lucht trekt dicht, de wind wakkert aan, de luchtdruk daalt. Virtueel overbrugt mijn GPS de laatste meters tot de top en is daar dan ook precies gekalibreerd: 1880 meter. Van de rustplek bij de eerste bron tot de top - het steile stuk van deze klim - is het hoogteverschil 550 meter over een weglengte van 7 kilometer. Een toch wel indrukwekkende 7,8 procent. Onderweg bleef ik mezelf inprenten dat het maximaal 7 procent zou zijn. Had ik het werkelijke stijgingspercentage geweten dan zou ik nog meer ontzag vooraf hebben gehad met alle mogelijke ontmoedigende effecten daarvan op mijn fietsbenen.

P1040179

Er zijn hier twee grote restaurants. Aan de kabelbanen te zien en de enorme parkeerplaatsen, is het hier 's winters een drukte van belang: wintersporters. Het eerste restaurant ligt op de top met beperkt uitzicht, en daarachter in de richting van Navacerrada - Madrid dus - het tweede met enkel uitzicht naar het dal aan die kant. Ik merk op dat ik de behoefte heb om terug te kijken naar waar ik vandaan kwam, maar daar niet aan toegeef. Ik parkeer mijn fiets voor het eerste restaurant en ga binnen in het tweede, met zicht op wat voor me ligt.

Guadarrama

Zevenveertig dagen ben ik nu onderweg. Ik bevestig het nog maar een keer voor mezelf. Zevenveertig dagen en in cijfers - 47 - ziet het er nog wat indrukwekkender uit. Ik vergelijk me niet met de wereldfietsers die jaren van huis zijn, dat is mijn ding niet, nu niet. Zevenenveertig dagen, niet eerder was ik langer dan vijf weken weg van huis. Hier in de zon van midden Spanje bevalt het me best. Op de camping is het nog rustig wanneer ik rond zeven uur een tijdje mijn blik richt op de snelweg die ver beneden mij ligt, achter het hek van de camping en een stuk onbegaanbare helling. Enigszins troosteloos doet het uitzicht mij aan, het had net zo goed kunnen regenen. Fris is het nog zo op dit vroege uur. De hemel lijkt niet helder, maar het licht is fel genoeg om mijn ogen alles te laten waarnemen wat er is. In de afgelopen weken is mijn blik scherper, onderscheidender geworden. Alsof ik beter weet, waarneem, wat er om mij heen is. En mogelijk minder van wat er in mijzelf is.

In het volle besef dat dit de laatste dag is van deze fietsreis ben ik opmerkzaam op elke minuut die nu volgt. Alle handelingen voer ik uit met alle aandacht die in me is. Het douchen, naar de wc gaan, scheren, tandenpoetsen, bij elk dagelijks ritueel is de gedachte: morgen is alles anders. Weemoedig en verward pak ik mijn spullen in. Gelukkig hoef ik er na bijna zeven weken niet meer over na te denken en gaat het opzadelen vanzelf. Er is alle ruimte om de melancholie door mijn gemoed te laten kabbelen. Bij de aanblik van de verdorde stenige vlakte die deze camping is, krijg ik haast tranen in mijn ogen wanneer ik eraan denk dat ik hier over een paar minuten niet meer zal zijn. In die gemoedstoestand vertrek ik uit Segovia, alsof het erbij hoort wanneer je deze van religie doordrenkte stad hebt aangedaan. Het eerste uur verkeer ik nog in een lichte staat van verheven afstandelijkheid tot de wereld. En ergens in mijn lichaam voel ik ook de weerstand om verder te fietsen.

Gisteren bracht de verbazing van Maite over mijn voornemen om de Navacerrada pas te nemen, per fiets, mij een beetje van mijn stuk. Kan dat dan niet? "Mijn vader rijdt die ook wel eens, vanuit Madrid, maar dan op een racefiets. En hij vindt het een heel erg zware klim!", is haar reactie. En daarbij toont haar gezichtsuitdrukking het volledige ongeloof over mijn plan om die berg over te fietsen. "Is er dan een alternatief dat haalbaarder is?", hoorde ik mijzelf haar gisteren vragen. Mijn twijfel over wat te doen, is door haar opmerking duidelijk aangewakkerd. Dat begon al eerder, toen we spraken over hoe ik helemaal tot Segovia was geraakt. Ze vroeg me of het goed was gegaan met trein en bus in Frankrijk. Met een blik van totaal onbegrip vroeg ik haar: "Wat bedoel je?" "Nou ja, je hebt er best lang over gedaan!" Met lichte irritatie leg ik haar uit dat ik geen bus en trein van dichtbij heb gezien en de hele reis per fiets heb afgelegd. Zonder aankondiging verandert ze van gespreksonderwerp, het idee toe te moeten geven aan de illusie die ik haar net schetste trekt haar duidelijk niet. Ik laat het erbij, dan maar niet: ook de ongelovigen hebben recht op hun werkelijkheid.

P1040131

Na telefonisch overleg met haar vader blijkt dat er wel degelijk een alternatief is voor de als onmogelijk te nemen aangeduide barrière van de Navacerrada: de Puertó de Leones, ook wel de Guadarrama. Die is minder hoog en minder steil, maar voert wel over een drukkere verkeersader naar Madrid. En daarbij is het kilometers om, niet mijn ding. En in gedachten had ik de Navacerrada al overwonnen, alleen fysiek is het nog een barrière. Helaas heeft al het geklets erover mijn mentale beren weer tot leven gewekt. Nu zie ik er pas echt tegenop om die pas te gaan befietsen. Ik denk nog maar eens terug aan mijn bedwinging van de Mt. Ventoux van twee jaar geleden. Dat helpt wel, maar juist de verkeerde kant op. Destijds fietste ik in bijna drie uur, zonder bagage, naar 2000 meter. Nu is het tot 1860 meter, met veel teveel aan bagage in een mindere fysieke conditie op onbekender terrein. Het feit dat ik start vanaf ongeveer 900 meter doet niet terzake, zo vind ik nu. Tot Madrid is bijna 90 kilometer en de klim is al vroeg in de rit, daar ga ik last van krijgen zo praat ik mezelf verder de put in. En de twijfel van Maite doet nog een extra duit in de zak van mijn ontmoediging.

Gisteren stelde Maite voor om mijn fiets maar achter in haar auto te gooien zodat ik zondag al met weinig moeite in Madrid zou aankomen. Waarom fietsen als het ook per auto kan? En ze deed het graag voor me, me meenemen naar Madrid. Langzaam, vol ongeloof over haar onbegrip, schudde ik mijn hoofd. Met een brede grijns voegde ik haar toe dat dat niet tot de opties behoorde. Minutenlang praatte ze op me in, met net zoveel onbegrip over mijn stellingname als ik had over haar ongeloof inzake mijn reismethode tot aan Segovia. Er gaapte een gigantische sportculturele kloof tussen ons. Later vernam ik van haar vader - die die Puerta de Navacerrada al meerdere keren overwon - dat ze nog nooit van haar leven een of andere sport had beoefend. Ik sloot me af voor verdere discussie en twijfel, althans uiterlijk, en nam me voor vandaag mijn plan ten uitvoer te brengen. In de ochtendkoelte die afstraalt van de bergrug die honderden kilometers links en rechts voor me uitstrekt, steekt de twijfel weer de kop op. De bergkam die Madrid scheidt van het noordelijke Spanje is vele malen indrukwekkender dan destijds de aanblik van die witte puist in het verder vlakke land van de Vaucluse. Daar zijn er alternatieven, het opfietsen van de Ventoux is een optie maar absoluut geen verplichting om van zuid naar noord te komen. Hier is die keus er niet. En zaterdag zag ik die aankondiging al, vanaf het moment dat ik voorbij Cantalejo reed had ik het indrukwekkende uitzicht op de Sierra de Guadarrama. Meer dan honderd kilometers bergrug die in de verre verte bedaard op mij lagen te wachten.